Blog

Een lichtpuntje in de jeugdzorg: beschikkingsvrije Jeugdzorg

Door: Niels de Vette

 

In vele opzichten was 2020, ook voor de Jeugdzorg, een heel bijzonder jaar. Het nieuws werd (wederom) gedomineerd door negatieve berichten. Zo namen de tekorten voor de jeugdzorg voor gemeenten weer toe, was er nog steeds sprake van toenemende wachtlijsten voor specialistische jeugdzorg én zijn er een aantal grote zorgaanbieders gesneuveld. Intervence is hiervan het meest recente voorbeeld. Dan hadden we natuurlijk ook de COVID-19 crisis nog met de vooralsnog onvoorspelbare impact op het (mentale) welbevinden van onze jeugd. Niet best zou je denken. Dat denk ik natuurlijk ook, maar toch zijn er toch ook wat lichtpuntjes te benoemen. Ik richt me graag op één lichtpunt, namelijk de beweging die ik langzamerhand steeds meer zie binnen het jeugddomein; beschikkingsvrije zorg.

Terug naar de probleemstelling

Voordat we het concept van beschikkingsvrije (jeugd)zorg nader kunnen verkennen, is het belangrijk eerst de jeugdzorg context te schetsen.

Wat is het probleem? Geld. Eén op de vijf gemeenten heeft te maken met een financieel tekort van méér dan 40 procent voor de jeugdzorg (Flinke tekorten voor jeugdzorg bij gemeenten | Trouw). Dat blijkt uit een onderzoek dat minister Hugo de Jonge liet uitvoeren naar de wachtlijsten en de geldzorgen in de jeugdzorg. Deze ontwikkeling heeft onder andere te maken met de decentralisatie, welke gepaard ging met een bezuiniging: in drie jaar tijd haalde het rijk 15 procent af van het budget van vóór de decentralisatie. Het doel van de decentralisatie (incl. kostenbesparing) was onder andere dat gemeenten problemen vroegtijdig zouden signaleren. Daarnaast was de verwachting dat preventie en lichte hulp aan huis, dure specialistische zorg gedeeltelijk overbodig zouden maken. Dit bleek in de praktijk echter niet zo te zijn, sterker nog, driekwart van de gemeenten is veel méér geld kwijt aan jeugdzorg dan begroot. In 2019 moesten gemeenten door hun financiële tekorten zelfs voor meer dan 750 miljoen euro uit eigen reserves putten (Jeugdzorg: inzicht in en grip op financiën | Divosa).

Oplossingsrichtingen tot op heden

Gemeenten gaan met de geschetste uitdagingen zeer divers om. Toch is het samen te vatten in drie lijnen; sturen door middel van inkoop (1), sturen door middel van de toegang (2) en een derde (wat minder geziene) variant; sturen op de kwaliteit of zorgwaarde (3).

Sturen door middel van inkoop gebeurt onder andere door het scherper vaststellen van de tarieven. Het bepalen van reële prijzen voor Jeugdzorg is complex, maar na zes jaar ervaring komt het steeds meer én beter van de grond. Daarnaast zijn de meeste gemeenten in meer of mindere mate bezig met het ‘afbakenen van de jeugdzorg’. Wat valt er onder de gemeentelijke plicht om als gemeente te organiseren en te vergoeden? Wanneer dienen ouders ondersteuning zelf te vergoeden? En wat is het grijze gebied daartussen? Daarnaast zie je ook dat gemeenten experimenteren met andere methoden van inkopen. Van open house naar een aantal preferente zorgaanbieders of andersom.

Voor wat betreft het sturen op de toegang zie ik de afgelopen jaren vooral een naar binnen trekkende beweging. Vanaf 2015 was de toegang veelal georganiseerd in stichtingen of andersoortige samenwerkingsverbanden tussen gemeenten, CJG’s en maatschappelijke partners. Afgelopen jaren zie je dat gemeenten de toegang naar binnen halen, met het idee meer grip te hebben. Dit idee is gestoeld op de gedachte dat de eigen professionals in staat zijn om strakker regie te voeren. Daarnaast worden normenkaders en kaders ontwikkeld om beschikkingen te limiteren in duur of intensiteit. Dit gebeurt op basis van (wetenschappelijk) onderzoek, historische data of best guess.

Sturen op kwaliteit of zorgwaarde is een relatief nieuwe beweging. Met zorgwaarde wordt gedoeld op de waarde die de zorg oplevert voor de client. Natuurlijk onderschrijven we allemaal het belang van kwalitatief goede jeugdzorg, maar het sturen hierop is allerminst eenvoudig. In het land zie je daarentegen op transformatie gerichte programma’s en projecten, waarin middelen (extra!) beschikbaar zijn gesteld om – gezamenlijk met de betrokken partners – nieuwe initiatieven te ontwikkelen of bestaande te verbeteren door de krachten te bundelen. Vanuit de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Data om het effect hiervan te onderschrijven zijn er nog onvoldoende, maar ik ben er heilig van overtuigd dat het sturen op zorgwaarde de meeste potentie heeft. Zowel voor het kind, de zorgaanbieder als voor de gemeente.

Beschikkingsvrije Jeugdzorg

Onder het sturen op kwaliteit schaar ik ook de beweging waarin de ‘middelen naar de voorkant’ worden verschoven. Dit is een tendens die je in het land steeds meer ziet opkomen. Je organiseert een – voor jouw gemeente best passende – jeugdzorgvorm vrij toegankelijk door bijvoorbeeld extra expertise toe te voegen aan het gemeentelijk toegangsteam (het toegangsteam biedt vaak al ondersteuning voor bv. enkelvoudige problematiek) of personeel van zorgaanbieders wordt beschikbaar gesteld aan één gemeente om hulp beschikkingsvrij (na bijvoorbeeld toets CJG) te organiseren. Dit kan bijvoorbeeld door één of meerdere medewerkers van een zorgaanbieder te detacheren naar het lokale toegangsteam ingekocht door de (lokale) gemeente. Het idee hierachter is dat je gespecialiseerde hulp laagdrempelig, effectief, efficiënt, tijdig en waardevol kan inzetten. Door samen met de betrokken partners voor een doelgroep te bepalen wat precies hun ondersteuningsbehoefte is en hoe je daar integraal op kan aansluiten (als team dus) behaal je sneller resultaten, met verhoogde kwaliteit en lagere kosten tot gevolg. Uiteraard komen er complexe vraagstukken om de hoek kijken als het gaat om inkoop, rechtmatigheid en juridische aangelegenheden. In mijn ervaring prima oplosbaar daarentegen!

In het land zijn verschillende inspirerende voorbeelden. Één voorbeeld betreft een (kleine) gemeente in Brabant die sinds een jaar gestart is met het beschikkingsvrij organiseren van ondersteuning voor kinderen met een Autisme spectrum stoornis. Kinderen kunnen vrij toegankelijk gebruik maken van deze ondersteuning, dus zonder beschikking. Dit was voor 2020 wel nodig. De ondersteuning kan snel, dichtbij en flexibel ingezet worden. Kinderen en gezinnen zijn enthousiast over de inzet, de kwaliteit wordt positief ervaren, samenwerking kan eenvoudig gezocht worden met de maatschappelijke partners en gemeente én het bespaart geld. In andere gemeenten worden vergelijkbare initiatieven worden ook vormgegeven met ondersteuning voor licht verstandelijk gehandicapte kinderen, (lichte vormen van) J&O ondersteuning en andere ‘lichte’ vormen van niet vrij toegankelijke jeugdzorg.

Ik vind deze beweging een lichtpuntje in 2020, want naast de beschreven effecten, voorkom je ook wachtlijsten (uiteraard onder voorbehoud van voldoende capaciteit) én stimuleer je samenwerking op een erg actieve wijze. Dat komt de zorg voor kinderen alleen maar ten goede lijkt me. Deze beweging kan je in mijn beleving ook nog verder doortrekken. Wat als we naast lichte vormen van niet vrij toegankelijke jeugdhulp ook de wat zwaardere vormen op deze wijze organiseren? Dit zou bijvoorbeeld kunnen door, naast ook de inzet van een POH’er, Specialistische GGZ diagnostiek te verplaatsen naar ‘de voorkant’. Zo zijn er nog talloze voorbeelden te bedenken. Ik kijk er naar uit om hiermee aan de slag te gaan in 2021.