Reële kostprijzen in het sociaal domein!

Met de invoering van de Wmo en Jeugdwet zijn gemeenten ook verantwoordelijk geworden voor het inkopen van hulp voor jeugdigen en volwassenen.

Het inkopen van jeugdhulp wordt gezien – naast het organiseren van zorg continuïteit en kwaliteit - als een sturingsmechanisme op de uitgaven binnen de jeugdhulp. Zeker wanneer er sprake is van een overschrijding van gemeentelijke budgetten – hetgeen in vrijwel iedere gemeente in Nederland het geval is – is snijden in de tarieven of inkopen op een alternatieve wijze met een besparingspotentieel een veel gebruikte methodiek.

Wettelijk zijn gemeenten verplicht om een reële kostprijs te betalen voor hulp in het kader van de Wmo en Jeugdwet. Klinkt logisch, maar wanneer is een kostprijs reëel? In het merendeel van de gemeenten wordt in het sociaal domein ingekocht door middel van het ‘open house model’. Dit betekent vaak dat alle zorgaanbieders dezelfde prijs betaald krijgen voor een hulpvorm. Wel zo eerlijk. Bij het bepalen van de kostprijs daarentegen moet dan ook rekening gehouden worden met alle zorgaanbieders en de verschillen in onder andere bedrijfsvoering en organisatie, niet iedere gemeente doet dit altijd even consequent. Hierbij kan je denken aan de grootte van de zorgaanbieder. Relatief kleine zorgaanbieders (bijvoorbeeld werkzaam in één gemeente) hebben weinig tot geen overheadkosten. Grote zorgaanbieders hebben relatief meer overhead en daarmee ook hogere kosten. Daarnaast kan ook gedacht worden aan de verschillende branches binnen het sociaal domein. De CAO’s verschillen tussen de branches en is dus voor sommige zorgaanbieders ‘duurder’ (d.w.z. kosten primair proces) dan andere. Kortom, door de wijze van organiseren en eisen waaraan een organisatie moet voldoen zijn er verschillen tussen zorgaanbieders. Wat voor één zorgaanbieder reëel is, hoeft dat niet voor de ander te zijn.

Bekeken vanuit het gemeentelijk perspectief is het wat eenvoudiger om te bepalen of een kostprijs reëel is. Vanuit bedrijfskundig oogpunt moet een organisatie de kosten kunnen dragen voor onder andere het personeel, overhead, materiele kosten en eventueel huisvesting. Landelijk zijn gegevens beschikbaar om reële opslagpercentages te hanteren en daarmee ook reële kostprijzen te bepalen vanuit gemeentelijk perspectief.

Tarieven zijn niet wetenschappelijk te onderbouwen. De kosten voor het primair proces kunnen realistisch ingeschat worden op basis van de CAO’s – per branche. De vertaalslag vervolgens om te komen tot een prijs per product blijft een inschatting van te hanteren toeslagen. De uiteindelijk bepaalde ‘reële’ kostprijs kan voor de ene zorgaanbieder reëel (of zelfs hoog) zijn, maar voor de andere zorgaanbieder relatief laag en daarmee niet realistisch om gelijk in te voeren.

Het verschil zit hem echter in de details. Er bestaan immers geen wetenschappelijke onderbouwingen voor een juiste prijs, dit is mede gebaseerd op ervaringscijfers van zorgaanbieders en gemeenten. Daarnaast kan er ook nog sprake zijn van regionale verschillen en zijn kostprijzen van een andere regio niet per se één op één vergelijkbaar. Daar waar reële kostprijzen gepresenteerd kunnen worden als de waarheid, blijft het voeren van de dialoog over de uitgangspunten van groot belang!