
Maartje Megens – Consultant bij Key Groep
“Dit essay is geschreven door onze collega Maartje. Het is een persoonlijke analyse van het zorglandschap en de zogenoemde pechgeneratie. Als Key Groep vinden we het belangrijk om ruimte te geven aan verschillende perspectieven binnen de zorg en het sociaal domein. Ze helpen ons kritisch te blijven nadenken over wat er speelt en scherp te blijven op wat organisaties en professionals nodig hebben”
De ‘pechgeneratie’ als schokdemper van beleid onder druk
Vooraf
De afgelopen jaren is het woord preventie steeds centraler komen te staan in het denken over zorg. Het klinkt hoopvol. Voorkomen in plaats van genezen. Vroeg erbij zijn. Problemen niet groter laten worden dan nodig. Wie kan daar nou tegen zijn? Toch wringt hier iets. Niet in het idee zelf, maar in wat er onderweg gebeurt. Veranderingen in beleid worden vaak gepresenteerd als stappen vooruit, maar zelden als bewegingen die ook tijdelijk iets weghalen. Terwijl juist in die tussenruimte, tussen oud en nieuw, tussen belofte en praktijk, zichtbaar wordt wie mee kan bewegen en wie moeite heeft om het tempo bij te houden.
Zorgvernieuwing vindt nooit plaats in een leeg landschap. Het landt in levens die al in beweging zijn. In systemen die al onder druk staan. In tijden waarin er veel wordt gevraagd van mensen: zelfredzaamheid, flexibiliteit en veerkracht. Dat maakt elke hervorming meer dan een technische ingreep. Het heeft invloed op hoe mensen hun leven dragen, vaak zonder dat dat expliciet wordt benoemd. Wat daarbij opvalt, is dat sommige groepen steeds opnieuw worden aangesproken op hun aanpassingsvermogen. Niet één keer, maar bij elke nieuwe verschuiving. Alsof er een impliciete aanname bestaat dat zij het nog wel kunnen dragen; omdat ook zij er op termijn baat bij zullen hebben. Nog even wachten. Nog even volhouden. Nog even meebewegen.
Dit essay is geen pleidooi tegen preventie, noch tegen vernieuwing in de jeugdzorg. Integendeel. Het vertrekt vanuit de overtuiging dat de ingezette beweging richting preventie binnen het jeugdzorgdomein noodzakelijk is. Juist daarom stelt het een andere vraag: wat vraagt die beweging van mensen die al meerdere keren onderweg zijn geweest? En wat gebeurt er met hen zolang de beloofde winst nog niet is gerealiseerd? In die samenloop van ontwikkelingen tekent zich een patroon af. Het wordt zichtbaar wanneer je niet alleen kijkt naar waar we naartoe willen, maar ook naar wie onderweg meebeweegt.
Preventie in tijden van schaarste
De afgelopen jaren is binnen de jeugdzorg een duidelijke beleidsmatige koers ingezet. Weg van zware specialistische interventies als vanzelfsprekende inzet. En juist richting preventie, normaliseren en ondersteuning zo dicht mogelijk bij het dagelijks leven van kinderen, jongeren en gezinnen. Deze beweging is vastgelegd in de Hervormingsagenda Jeugd 2023 – 2028 en vormt inmiddels een belangrijk uitgangspunt voor landelijke beleidsmakers, gemeenten, en uitvoeringsorganisaties.
Met preventie wordt in dit kader bedoeld: het voorkomen, vroegtijdig signaleren en begeleiden van vragen en problemen, zodat zij zich niet voordoen dan wel niet uitgroeien tot zwaardere zorgvragen. Voor bestuurders en beleidsmakers is deze benadering aantrekkelijk: deze sluit aan bij het idee dat niet elke zorgvraag In de praktijk geven we hier invulling aan door lokale voorzieningen en de zogeheten Stevige Lokale Teams. Dit zijn multidisciplinaire teams waarin professionals uit onder meer het sociaal domein, jeugd- en opvoedondersteuning samenwerken om laagdrempelig hulp te bieden, voordat specialistische zorg noodzakelijk wordt.
Deze beweging is niet alleen inhoudelijk gemotiveerd, maar ook financieel. De uitgaven aan jeugdzorg zijn de afgelopen tien jaar sterk gestegen, terwijl gemeenten structureel onder druk staan om hun begrotingen beheersbaar te houden. Preventie wordt dan vaak gepresenteerd als een investering die op termijn kostenbesparend is. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) benadrukt in haar beleidskaders het belang van een sterke lokale infrastructuur die zwaardere zorg kan ontlasten en tegelijkertijd beter aansluit bij de leefwereld van jongeren.
De beweging zelf is helder, maar de weg ernaartoe vraagt om zorgvuldige keuzes. Preventie is geen abstract beleidsinstrument, maar intensief mensenwerk. Vroeg signaleren, begeleiden en afstemmen kost tijd en vraagt om ervaren professionals die continuïteit kunnen bieden. Juist daar ontstaat spanning. Toezichthouders zoals de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) wijzen erop dat lokale teams in Nederland sterk verschillen in samenstelling, deskundigheid en draagkracht. Wat in de ene gemeente functioneert als een stabiel vangnet, is elders kwetsbaar of onvolledig ingericht. De ambitie is landelijk, maar de uitvoeringskracht niet. En dat is precies het punt: preventie vraagt mensen. Preventie vraagt mensen en tijd en die zijn niet overal vanzelfsprekend beschikbaar.
Wat in beleidsdiscussies vaak onderbelicht blijft, is dat deze herverdeling niet neutraal is. Wanneer professionals worden ingezet op preventieve taken, zijn zij elders niet beschikbaar. Dat is een logisch gevolg van schaarste. De beweging naar preventie voltrekt zich niet in een vacuüm, maar raakt bestaande structuren, wachttijden en doelgroepen die al afhankelijk zijn van ondersteuning. Hervormingen die gericht zijn op toekomstig rendement, vragen aandacht voor de tussenfase: de periode waarin nieuwe structuren worden opgebouwd, terwijl oude knelpunten nog niet zijn opgelost.
Arbeidskrapte, wachttijden en verdringing
Hervormingen kunnen inhoudelijk goed verdedigbaar zijn, zoals het inzetten op preventie met het oog op de baten op termijn, maar vertrekken altijd vanuit een bestaande situatie. Veranderen lijkt in dat opzicht op het verbouwen van een huis: het eindresultaat kan beter zijn, maar tijdens de verbouwing moet er tijdelijk iets extra’s worden georganiseerd. Daarom moet je goed kijken wat er gebeurt in de jaren waarin het systeem zich moet aanpassen, zeker als de druk al hoog is. Zolang wachttijden blijven bestaan en personeel schaars is, wordt die tussenfase een kwetsbare periode voor mensen die afhankelijk zijn van tijdige ondersteuning. De spanning ontstaat doordat ambitie en schaarste tegelijk bewegen.
Wachttijden in de zorg zijn geen incidenten meer. Ze zijn inmiddels een kenmerk van ons zorgsysteem geworden. Dat geldt niet alleen voor ziekenhuizen, maar zeker ook voor de geestelijke gezondheidszorg. Jaar na jaar laten cijfers zien dat mensen steeds langer moeten wachten op passende ondersteuning, vooral wanneer hun problemen complexer zijn.
Volgens de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zijn wachttijden in de GGZ hardnekkig hoog. Voor mensen met zwaardere of gecombineerde problematiek is het wachten vaak het langst. In beleidsstukken worden deze wachttijden meestal besproken als een organisatorisch vraagstuk: capaciteit, planning, doorstroom. Maar voor wie moet wachten, voelt dat anders. Daar is wachten geen neutrale tussenfase, maar een periode waarin het leven gewoon doorgaat. Tijdens dat wachten verandert er veel. Stress neemt toe, klachten verschuiven, studies lopen vast en werk wordt moeilijker vol te houden. Wat bij aanmelding nog overzichtelijk leek, raakt langzaam verweven met andere problemen. Het wachten zelf wordt onderdeel van de zorgvraag. We hebben hier zelfs weer extra zorg voor bedacht: overbruggingszorg. Tegen de tijd dat iemand daadwerkelijk geholpen wordt, is de situatie vaak ingewikkelder dan aan het begin.
Toezichthouders signaleren dit al langer. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) wijst erop dat langdurig wachten de kans vergroot dat problemen verergeren en uiteindelijk leiden tot crisiszorg. Tijd werkt in dit soort situaties zelden in het voordeel van degene die hulp nodig heeft. Hier wordt duidelijk waarom arbeidskrapte zo’n bepalende factor is in het functioneren van ons zorgstelsel. De zorg draait al jaren op te weinig mensen. Ervaren professionals stromen uit, nieuwe aanwas blijft achter en de vraag naar zorg blijft groeien. In die context is elke nieuwe beleidsambitie ook een verdelingsvraag, want extra aandacht op de ene plek betekent minder ruimte op een andere.
Dat wordt zichtbaar in de beweging naar preventie. Preventie vraagt om aanwezigheid, om opvolging, om tijd om iemand echt te leren kennen. Maar zolang de totale capaciteit niet meegroeit, moeten die uren ergens vandaan komen. In de praktijk betekent dat dat professionals hun tijd anders verdelen. Sommige mensen wachten daardoor langer, worden vaker doorverwezen of vallen tijdelijk buiten beeld. Vooral mensen die niet duidelijk in een hokje passen, merken de gevolgen. Ze zijn niet in crisis, maar ook niet geholpen met een kort traject. Hun problemen vragen aandacht over een langere periode, juist in een fase waarin continuïteit steeds moeilijker te organiseren is. In plaats van één duidelijke route ervaren zij een reeks van tussenstappen.
Van gemeenschap naar professionalisering van zorgen
Niet alles wat mensen bezighoudt is een zorgvraag. Toch voelt dat steeds vaker wel zo. Twijfel, stress, een gevoel van vastlopen of richtingloosheid: het zijn ervaringen die bij het leven horen, maar die steeds vaker binnen professionele kaders opgepakt worden. Dat is geen toeval. Het heeft te maken met een verschuiving waar mensen hun vragen neer kunnen leggen.
Waar twijfel en tegenslag ooit ingebed waren in de collectieve basis, worden ze nu vaker individuele vraagstukken. Kerk, geloof en andere gemeenschappen boden niet alleen zingeving, maar ook een plek om zorgen te delen. Je hoefde geen diagnose te hebben om je verhaal kwijt te kunnen. Het gesprek was laagdrempelig, doorlopend en ingebed in een gedeeld referentiekader. Die collectieve basis is de afgelopen decennia minder stevig verankerd geraakt in het dagelijks leven. Individualisering heeft veel gebracht: vrijheid en ruimte om je eigen leven vorm te geven. Tegelijkertijd betekent het ook dat mensen vaker op zichzelf zijn aangewezen bij vragen waar voorheen de gemeenschap een antwoord op had. Wat doe jij als je vastloopt? Met wie bespreek jij twijfel, schuld, falen of onzekerheid?
In die verschuiving verandert niet alleen wie een vraag draagt, maar ook waar die vraag wordt gesteld. Jongeren wenden zich vaker tot coaches, hulpverleners en zorgprofessionals. Dit is niet noodzakelijk omdat de vragen groter zijn, of problemen zwaarder dan die van voorgaande generaties, maar omdat er minder vanzelfsprekende plekken zijn om deze vragen neer te leggen. De zorgsector is daarmee, ongemerkt, een vangnet geworden voor vragen die niet alleen psychisch, maar ook existentieel en sociaal van aard zijn. En wie een vraag stelt in een professionele context, krijgt ook een professioneel antwoord. Vraag een jurist om hulp en je krijgt een juridische analyse. Vraag een econoom om advies en je krijgt een economische benadering. Vraag een zorgprofessional om mee te kijken en de kans is groot dat de vraag wordt vertaald in termen van begeleiding, behandeling of ondersteuning. De context waarin een vraag gesteld wordt, beïnvloedt het type antwoord dat volgt.
Professionele zorg is ingericht op afgebakende hulpvragen, trajecten en doelgerichte interventies. Zij werkt met intake, indicatie en evaluatie. Wat vroeger onderdeel was van een doorlopend gesprek binnen een gemeenschap, wordt nu iets waarvoor je een afspraak maakt. Meer ervaringen krijgen een formeel karakter en meer twijfel vraagt om een plek binnen een systeem. Preventie en normaliseren kunnen in dat licht veel betekenen. Zij kunnen helpen om problemen eerder te herkennen en minder snel te problematiseren. Tegelijkertijd herstellen zij niet (direct) een collectieve basis. Niet elke vraag laat zich vangen in een kort gesprek of een lichte interventie, zeker niet wanneer steun schaars is en continuïteit ontbreekt. Precies daar waar problematiek te licht is voor formele zorg, maar te zwaar om het alleen te dragen, ontstaat een kwetsbare tussenruimte.
Tussen wal en schip
Er is een groep jongeren voor wie ondersteuning net niet past. Ze zijn niet in crisis, maar ook niet oké. Hun problemen zijn te groot om te negeren of op te lossen in de sociale basis en te klein om als urgent te worden bestempeld. Ze functioneren vaak nét, zoals een kind dat bij zwemdiploma A vooral bezig is met blijven drijven, niet met leren zwemmen.
Deze jongeren bewegen zich in overgangsfasen. Ze gaan van school naar werk, van thuis naar zelfstandig wonen, van jeugd naar volwassenheid. Het zijn fases waarin veel tegelijk verandert, terwijl stabiliteit juist nodig is. In het zorgsysteem vallen deze momenten vaak samen met harde grenzen: achttien jaar worden, verlaten van het schoolsysteem, het einde van een traject, een doorverwijzing die niet direct opvolging krijgt. Wat overblijft is wachten, of opnieuw beginnen. Preventie en normaliseren bieden hier niet altijd een antwoord. Voor lichte zorgen zijn deze benaderingen waardevol, maar voor jongeren met gestapelde problematiek, zoals schulden, mentale druk, instabiel wonen of onzeker werk, schieten ze vaak tekort. Deze vragen, vragen tijd, continuïteit en iemand die blijft, ook wanneer het ingewikkeld wordt. Juist die elementen staan onder druk in een systeem dat efficiëntie en afbakening nodig heeft om overeind te blijven.
Wat volgt is geen abrupte uitval, maar een glijdende beweging langs losse loketten, zonder duidelijke route. Het gaat om jongeren die formeel als zelfredzaam worden gezien, maar die in de praktijk weinig ruimte hebben om tegenvallers op te kunnen vangen. Ze combineren studie of werk met stress, bouwen ondertussen schulden op of blijven noodgedwongen thuis wonen. Ze houden zich staande, tot dat niet meer lukt. Tegen de tijd dat problemen zichtbaar worden als ‘ernstig genoeg’, is er vaak al veel verloren gegaan. Wat hier schuurt, is dat deze jongeren precies tussen de logica van het systeem vallen. Preventie vraagt dat problemen licht en vroeg zijn. Specialistische zorg vraagt aantoonbare ernst. Wie daar tussenin zit, moet het vaak zelf zien te redden, met tijdelijke oplossingen en losse contacten. Dat is niet de bedoeling, maar het huidige systeem biedt weinig ruimte voor vragen in het grijze gebied. Juist dat grijze gebied groeit. De jongeren zijn niet per se kwetsbaarder geworden, maar de omstandigheden waarin zij hun leven vormgeven, zijn minder vergevingsgezind. Overgangen zijn scherper, vangnetten dunner en mislukkingen voelen definitiever. In zo’n context is het verschil tussen op tijd ondersteuning krijgen en te lang wachten juist bepalend om je hoofd boven water te kunnen houden.
Dezelfde generatie, telkens opnieuw
Dan is er één generatie in het bijzonder, in de volksmond ook wel ‘de pechgeneratie genoemd’. Het is alsof deze generatie steeds opnieuw moet meemaken hoe hun levensloop en maatschappelijke en politieke verschuivingen elkaar blijven kruisen. Elke keer wordt gevraagd om veerkracht, aanpassingsvermogen en geduld. En elke keer lijkt de aanname te zijn dat dat nog wel kan. En dat laatste is niet eens verrassend, want de gevolgen zijn zelden spectaculair. Geen massale uitval, geen evidente crises, maar een opeenstapeling van kleine verliezen: een studie die langer duurt, een baan die niet wordt vastgehouden, klachten die blijven sluimeren of hulp die te laat komt. Het zijn ontwikkelingen die onder de radar blijven, maar die samen bepalen hoe stevig iemand later staat.
Het patroon wordt pas echt zichtbaar wanneer je tijdslijnen naast elkaar legt. Het gaat niet om één maatregel of één crisis, maar om de volgorde waarin ze elkaar raken. Jongeren die nu vastlopen in de zorg, zijn vaak dezelfde jongeren die hun studie begonnen zonder basisbeurs. Studeren werd voor hen geen periode van opbouw, maar van berekenen. Elke keuze had een prijskaartje en elke vertraging financieel gevolgen. Schulden waren geen uitzondering, maar een hoorden bij het volwassen worden. Dat werkte door, ook nadat dat diploma binnen was.
Daarna volgde een woningmarkt die nauwelijks ruimte liet voor een zachte landing. Zelfstandig wonen werd uitgesteld, samenwonen soms noodzaak in plaats van een keuze. Volwassenheid kreeg een voorlopig karakter: wel verantwoordelijkheden, maar weinig zekerheid. Wie terugviel, kon moeilijk opnieuw beginnen. Wie wilde wachten, had daar de middelen niet altijd voor.
En toen brak de coronapandemie uit. Voor deze generatie viel die niet samen met een stabiele periode, maar met de jaren waarin sociale netwerken, eerste banen en zelfstandigheid vorm moesten krijgen. Wat voor sommigen een tijdelijke onderbreking was, werd voor anderen een structurele vertraging. Isolatie, onzekerheid en het wegvallen van perspectief lieten sporen na die niet verdwenen toen het openbare leven weer op gang kwam.
Nu, enkele jaren later, bevinden deze jongeren zich opnieuw in een overgang. Niet meer tussen studie en werk, maar tussen jeugd en volwassenheid, tussen lichte ondersteuning en zware zorg. Precies op het moment dat meer wordt ingezet op preventie en zorg selectiever wordt ingericht. Deze jongeren zijn te oud voor jeugdzorg en te jong om al stevig te staan. Hun vragen zijn te complex om te normaliseren, maar deze groep functioneert nog genoeg om vragen als urgent te bestempelen.
In beleidsstukken verschijnen deze jongeren vaak als losse categorieën: student, starter, jongvolwassen of zorgvrager. In werkelijkheid gaat het om dezelfde jongeren, die van loket naar loket bewegen, terwijl ieder systeem slechts een deel van hun verhaal ziet. Wat voor het ene domein een afgerond dossier is, is voor het andere het begin van een probleem. De vraag die dit oproept is niet waarom deze generatie meer ondersteuning vraagt, maar hoe het kan dat zij telkens opnieuw worden aangesproken op hun draagkracht. Niet één keer, maar steeds weer, bij elke nieuwe overgang. Terwijl de ruimte om op adem te komen steeds kleiner wordt.
Wat zich opstapelt, verdwijnt niet vanzelf
Langdurig wachten, uitstel van ondersteuning en het ontbreken van continuïteit hebben zelden directe, spectaculaire gevolgen. De effecten zijn trager en minder zichtbaar, waardoor ze vaak buiten beeld blijven. Maar wat zich opstapelt, verdwijnt niet vanzelf. Wanneer jongeren langere tijd blijven functioneren zonder passende ondersteuning, verschuift de druk. Klachten worden niet altijd zwaarder, maar wel hardnekkiger. Stress wordt chronisch, onzekerheid normaliseert en uitputting sluipt erin. Dat uit zich niet altijd in acute zorgvragen, maar wel in uitval: studie die niet wordt afgerond, werk dat niet wordt volgehouden, relaties die onder spanning komen te staan. De problemen worden breder, niet per se dieper.
Voor de zorg betekent dit een verschuiving in tijd. Vragen die eerder met relatief lichte ondersteuning opgevangen hadden kunnen worden, komen later terug in een andere vorm. De druk verplaatst zich daarmee naar delen van het systeem die al overbelast zijn, zoals de volwassen geestelijke gezondheidszorg en de crisiszorg. Ook buiten de zorg zijn de gevolgen merkbaar. Jongvolwassenen die langere tijd op hun tenen lopen, bouwen minder buffers op. Zowel financieel, sociaal als mentaal. Tegenvallers komen harder aan en herstel kost meer tijd. De kans dat tijdelijke problemen langdurig worden, neemt toe. Dat vertaalt zich in een groeiende groep mensen die vroeg in hun volwassen leven al te maken krijgt met burn-outklachten, langdurige stress of terugkerende zorgvragen. Deze ontwikkelingen blijven vaak gefragmenteerd zichtbaar. In losse statistieken over uitval, in cijfers over wachttijden in de zorg of in signalen uit het onderwijs en arbeidsmarkt. Zelden worden zij als één geheel gezien. Toch is het de samenhang die bepaalt hoe groot de impact uiteindelijk is. Eén gemiste interventie zal het verschil niet maken, maar de opeenstapeling ervan wel.
Wat hierbij meespeelt, is dat veel van deze gevolgen pas zichtbaar worden nadat beleidsperioden zijn afgerond. De effecten lopen achter op de besluiten. Tegen de tijd dat het duidelijk wordt waar het knelt, zijn verantwoordelijkheden verschoven en zijn systemen opnieuw ingericht. De rekening verschijnt later, op een andere plek. Dit maakt het lastig om tijdig bij te sturen. De signalen zijn verspreid over domeinen die ieder hun eigen logica volgen. Zorg, onderwijs, wonen en arbeid raken hier aan elkaar, terwijl beleid vaak per sector wordt gemaakt. Wat in het ene domein als beheersbaar wordt gezien, blijkt in samenhang kwetsbaar.
De vraag die blijft hangen, is niet of deze risico’s zich zullen voordoen, maar in welke mate en bij wie. En of ze opnieuw terechtkomen bij dezelfde groep, die al meerdere keren heeft moeten meebewegen met veranderingen die groter waren dan zijzelf.
Verandering in de zorg is onvermijdelijk. De druk is hoog, de vraag groeit en de middelen zijn beperkt. In die context is het logisch om te zoeken naar andere manieren van werken, andere accenten, andere verwachtingen. Preventie, normaliseren en nabijheid zijn daarbij geen modewoorden, maar serieuze pogingen om de zorg toekomstbestendig te maken. Juist omdat deze beweging inhoudelijk overtuigend is, verdient het proces ernaartoe aandacht. Hervormingen worden zelden ingevoerd in een stabiele situatie. Ze landen in systemen die al onder spanning staan, bij professionals die al veel vragen op zich af zien komen en bij mensen die al meerdere veranderingen hebben moeten verwerken. Dat maakt de overgangsfase geen bijzaak, maar een cruciale periode.
Wat in deze fase vaak ontbreekt, is expliciete aandacht voor verdeling van risico’s. Wie kan de tussenfase dragen? Wie heeft ruimte om te wachten, om opnieuw te beginnen of om een tegenvaller op te vangen? En wie niet? Zolang die vragen impliciet blijven, worden ze beantwoord door het systeem zelf. Meestal in het nadeel van degenen met de minste buffers. Preventie en normaliseren veronderstellen een zekere mate van draagkracht. Ze werken het beste wanneer mensen steun hebben, overzicht houden en kunnen terugvallen op stabiele structuren. Voor wie dat mist, zijn deze benaderingen niet altijd voldoende.
Zonder aanvullende waarborgen verschuift de verantwoordelijkheid ongemerkt naar het individu. Daarmee ontstaat een ongemakkelijke paradox. Beleidsmatig wordt ingezet op vroegtijdige ondersteuning, terwijl in de praktijk juist de toegang tot zorg selectiever wordt. Wat aan de voorkant wordt opgebouwd, vraagt tijd om effect te sorteren. In die tijd zijn er mensen die al onderweg zijn en voor wie die toekomstwinst te laat komt. Dit vraagt geen terugkeer naar oude systemen, maar om scherpte in het handelen. Om oog voor overgangsgroepen, voor samenloop van beleid en voor de vraag wie telkens opnieuw wordt aangesproken op veerkracht. Niet alles wat kan worden genormaliseerd, is ook werkelijk dragelijk. En niet iedereen die zich staande houdt, doet dat zonder schade.
Zorgvuldigheid in tijden van verandering betekent erkennen dat hervormingen altijd ongelijk uitpakken. De keuze is niet of dat gebeurt, maar of we bereid zijn dat onder ogen te zien en er tijdig iets tegenover zetten.